Afdrukken E-mail

Onderzoeksthema : Zoönosen

Zoönosen

Infecties die van dier naar mens overgaan zijn altijd al een belangrijk thema geweest voor de diergeneeskunde en dus ook voor het CODA-CERVA.

Zowel voedselproducerende landbouwdieren, gezelschapsdieren als in het wild levende dieren kunnen een bron van infectie van de mens zijn. Door direct contact met geïnfecteerde dieren of dierlijke producten (excreties, nageboorte, wol, ...) of door overdracht van bacteriën, virussen of parasieten naar de voedselketen wordt de mens besmet.

Vaak zijn de dieren zelf niet klinisch ziek en gaat de infectie bij hen onopgemerkt voorbij. Bij de mens echter kunnen de symptomen wel ernstig zijn, soms zelfs met dodelijke afloop.

Om die reden zijn gepaste maatregelen i.v.m. hygiëne en bioveiligheid essentieel, zowel voor wat betreft het diervoeder, het dier zelf, karkassen, vlees, eieren en dergelijke en bij de consument (distributie van voedingsmiddelen, bereiding ervan in de keuken).

Voor wat betreft de aanpak van zoönosen in de primaire productie (bij het levende dier, wat het actieterrein is van het CODA-CERVA) situeert deze zich op verschillende domeinen:

  • Van de uitbouw van een gepaste surveillance bij dieren die niet noodzakelijk klinische symptomen vertonen,
  • De snelle en gevoelige detectie op het terrein en in de diagnostische laboratoria, en
  • De preventie en behandeling van de geïnfecteerde dieren.

Het wetenschappelijk onderzoek op het CODA-CERVA als nationaal referentielaboratorium concentreert zich dan ook vooral op de epidemiologie van zoönosen, de studie van kiem-gastheer interacties, het op punt stellen van accurate diagnosetechnieken, de ontwikkeling van mogelijke preventiemaatregelen en het zoeken naar efficiënte bestrijdingsmiddelen.

Zoönosen

Een belangrijk Europees initiatief kwam beschikbaar door de zgn. zoönoserichtlijnen (92/117/EEG en 2003/99/EG) die maatregelen opleggen voor de bescherming tegen bepaalde zoönosen bij dieren en dierlijke producten.

Nog steeds zijn er grote uitdagingen die de aandacht voor zoönosen blijven opeisen: nieuwe, opduikende ziekten, wijzigingen in het klimaat, het intense internationale transport van mensen, dieren en dierlijke producten, en de flexibiliteit waarmee bacteriën, virussen en parasieten de grens tussen dier en mens overschrijden: "One world, one health".

Daarnaast, ook al is de (internationale) aandacht hiervoor verminderd, blijft het gebruik van zoonotische agentia als bioterroristisch wapen een onderwerp van onderzoek.

Voor wat betreft de bacteriële infecties, gaat in het CODA-CERVA de meeste aandacht naar brucellose, leptospirose, rundertuberculose, salmonellose, paratuberculose, Q fever en zoönotische E. coli infecties, en als kiemen die voor terroristische aanslagen in aanmerking komen, kwade droes, mellioïdose, tularemie, miltvuur en pest.

Wat de virale zoönosen betreft, die worden het vaakst veroorzaakt door een virus dat pathogeen is voor het dier en dat de mens accidenteel kan besmetten.

Regelmatig duiken er nieuwe zoönosen op die ofwel te wijten zijn aan schijnbaar nieuwe agentia, hetzij aan micro-organismen die reeds gekend zijn, maar die voorkomen op plaatsen of in soorten bij wie de ziekte tot dan ongekend was.

Zoönosen

De overdracht gebeurt soms door contact via orale of respiratoire weg (vb.: hantavirose, influenza) maar meestal door verwonding (vb.: hondsdolheid) of beet (vb.: arbovirose) en brengt belangrijke noties van reservoirs en vectoren aan het licht die goed geïdentificeerd moeten worden om de ziekte te controleren.

In het bijzonder de arbovirosen (Arthropod Borne virus) zijn virale aandoeningen die worden overgedragen door bloedzuigende geleedpotigen (stekende insecten, muggen of malariamuggen of nog teken). De betrokken virussen behoren tot 3 families = Toga, Bunya & Flavivirus.

De arbovirussen vertegenwoordigen honderden virussen waarvan een vijftigtal van belang zijn voor de mens.

De arbovirussen vermeerderen zich tegelijk bij de gewervelden (en eventueel bij de mens) en bij de geleedpotigen. Het insect raakt besmet door het bloed van deze gewervelden op te zuigen. Het virus vermeerdert zich in het spijsverteringskanaal van het insect en verspreidt zich dan en komt in de speekselklieren terecht, waar de virale vermenigvuldiging zeer hoge virusconcentraties oplevert.

Het insect, dat helemaal niet lijdt onder deze virale vermenigvuldiging, zal het virus via zijn speeksel overdragen op de volgende gewervelde die hij zal steken.

Gewervelden vertegenwoordigen het reservoir van het virus en het gaat bijna altijd om wilde dieren. In de meeste gevallen is de besmetting van de mens die gestoken wordt door de vector, slechts een accidenteel fenomeen, een impasse, aangezien de infectie meestal niet wordt voortzet.

Denken we maar aan het West Nile Virus, de Rift Valley Fever en de Crimean Congo Fever die in België niet bestaan, maar die op ieder moment in diverse gradaties kunnen opduiken.

De invoering van alarmsystemen voor de arbovirosen is de doelstelling van het Europese expertisenetwerk ARBOZOONET, waar het CODA-CERVA deel van uitmaakt.